Wat informatie over het Lombokkruis welke opa Slierendregt [Johannes Slierendregt] heeft ontvangen.

Het Lombokkruis

Ingesteld bij Koninklijk besluit no. 42 van 13 april 1895 en uitgereikt aan hen, die in de periode 26 juni tot 24 december 1894 hebben deelgenomen aan de veldtocht op Lombok.
Het is een 41 millimeter breed vierarmig bronzen kruis met in het midden een medaillon.
De voorzijde vertoont op het medaillon de beeltenis van een jonge prinses Wilhelmina met loshangend haar. Op de armen valt te lezen: "LOMBOK / TJAKRA NEGARA / MATRAM / 1894".
Dit waren de plaatsen waar de grote veldslagen hadden plaatsgevonden en het jaartal waarin deze plaats hadden gevonden. Het medaillon op de keerzijde heeft binnen een krans van laurierbladeren de Nederlandse Leeuw met zwaard en pijlenbundel. Op de armen de tekst "HULDE AAN / LEGER / EN / VLOOT".

Het lint, 37 millemeter breed, is verdeeld in negen gelijke banen van oranje en Nassau blauw. De oranje banen aan de buitenzijde. Het kruis werd in een massale bijeenkomst door prinses Wilhelmina uitgereikt. Zij was zo onder de indruk van de plechtigheid dat zij in 1944, inmiddels koningin geworden, bij de instelling van de Bronzen Leeuw het lint hiervan liet terugverwijzen naar het Lombokkruis.

Verhaal verteld door mijn vader, over zijn vader, Johannes.

Maarten Johannes Slierendregt, geb.16-7-1901 bij zijn Oma en Opa, Oma Neeltje van der Boon geb.18-11-1848 en Opa Maarten Slierendregt, geb.24-1-1843, wonende Hof van Delft, Singelstraat 2, 2 hoog.
Oma was vroedvrouw en zij werkte meestal bij vooraanstaande boeren. Opa Maarten voer met een eigen scheepje en vervoerde komkommer-kisten voor tuinders, handelde in mest en zand, mest voor de bloembollen en mooi wit zand voor de boeren in Rotterdam en omstreken. Het zand haalde hij uit de zanderijen in Hillegom en Lisse. Oma had een grote statenbijbel met een zilveren of gouden slot.

Mijn vader, Johannes, geb. 17/12 1871, is toen hij nog jong was in dienst gegaan bij het leger en is met een onderzoekcommissie naar Indonesie vertrokken en heeft daar veel beleefd. Hij was meester op de wapens geweer,pistool, sabel en bajonet. Ik had nog een brevet van hem bewaard, maar dat is met de verhuizing zoek geraakt.
Hij is in gebieden geweest, waar de mensen in holen woonden en als ze die mensen tegenkwamen namen ze de vlucht en kropen in holen.(liepen spiernaakt). Hij heeft een keer op wacht gestaan op een buitenpost bij een kamp. Het was een donkere nacht, zo hij vertelde en hij zag een paar vurige ogen op hem afsluipen (men liep altijd met een geweer in de aanslag) en richtte en vuurde. Daardoor kwamen andere buitenposten naar hem toe om te zien wat er was gebeurd en ze vonden een grote tijger, die precies in zijn oog was geraakt. Zijn kapitein heeft de huid laten prepareren. Om in het binnenland te komen moesten ze met kleine bootjes door het moeras gaan, dat vol zat met kaaimannen en zo kwamen zij bij die wilde mensen.

Toen hij uit dienst was heeft hij een beetje gereisd en in Amsterdam had hij een cafe-restaurant gepacht, maar hij ging zelf op stap en het personeel ging met de buit strijken. Toen heeft hij het maar weer van de hand gedaan. Hierna is hij mijn moeder tegengekomen Anna Maria Warre, die werkte al 10 jaar bij een professor voor hij met haar trouwde.
Mijn moeder was een dochter van Willem Warre, geb. 16/9 1838 en mijn Oma Anna Maria Rutters, geb. 27/1 1840 en overl 2/3 1878 heb ik nooit gekend. Opa Warre was ook schipper en had een tweemast aak. Hij voer daarmee naar Duitsland en vervoerde kolen en briketten, ook wel naar Amsterdam en alles op de zeilen. Moeder is tot haar 16e naar school geweest voor ze in betrekking kwam en daar heeft ze veel geleerd. Zij sprak Frans, Duits en Engels. Zij maakte voor de kinderen alles zelf, kousen, sokken,truien, borstrokken en van linnen meelzakken maakte ze hemden voor de kinderen. Mijn broer Willem is ook geboren in de Singelstraat. Toen wij iets groter waren zijn wij bij moeder en vader aan boord gegaan. Hier zijn de andere broers geboren : Abraham, Evert Cornelis, Johannes en Cornelis Otto. Na het plotseling overlijden van mijn moeder in Gouda kon mijn vader het niet meer aan en heeft het scheepje verkocht in Nieuwveen. Vandaar zijn wij met een boerenwagen naar Delft verhuisd. Na het eten van appels, die in het water hadden gelegen kregen we allemaal buiktyfus, waardoor mijn jongste broertje is overleden.
Hierna gaat het verhaal van mijn vader nog verder en wel hoofdzakelijk over waar en bij wie hij allemaal gevaren heeft voor hij trouwde.
VERVOLG van het verhaal :
Toen ik ongeveer 7 jaar was, kwam ik weer in huis van mijn oma Neeltje, geb.18 nov.1848. Dit heeft niet lang geduurd, want oma Neeltje had nog een dochter in huis, die toen ongeveer 21 jaar geweest moet zijn. en ook Neeltje werd genoemd. (waarschijnlijk heette ze Gerdina Catharina)
(Schatting leeftijd en opmerking gemaakt door Riekel)
Zij trouwde met een schoolmeester (later hoofdonderwijzer op een Montessori school in Scheveningen). Ik moest toen weer weg bij oma en kwam terecht bij een paar aardige mensen ook in de Singelstraat. Dit was de familie Kieviet en ze waren niet zo jong meer. Hij was machinist bij de oliekoekfabriek in Delft. Daar moest ik hem wel eens brood brengen en als ik een poosje bij hem was kwamen de kakkerlakken de kruimels opeten. Bij de familie Kieviet waren meer kostgangers en met een kon ik goed opschieten. Hij was brievenbesteller en had een recht opstaande kuif. Hij heeft me een keer mee naar de kapper genomen en me ook zo’n kuif laten knippen. Bij de familie Kieviet heb ik het goed naar mijn zin gehad. Mijnheer Kieviet heeft niet zo lang meer geleefd. Ze hielden van planten en vogels. Achter het huis was een plaats, die overdekt was met glas met een glazen tussenwand. Mevr. Kieviet deed daar de was. Er was een grote voliere met allerlei vogels en ik had er een marmot en achter op de plaats had ik een konijn.

Er was ook een grote kippenren met daar bovenop een duivenhok en in huis nog kanaries, die ik voer gaf en waarvan ik de kooien schoonmaakte. In de kamer was een grote staande klok met een zon, maan en sterren.
Mevr. Kieviet heeft wel wat met me te stellen gehad. Af en toe zat ik onder de modder, omdat ik in een moddersloot had gezeten, luidruchtig springen door het straatje en rovertje spelen. Op een keer hadden we een jongen op een plank gebonden en trokken hem over de kinderhoofdjes door de straat. Even later bemerkten wij, dat hij bewusteloos was, maar hij kwam gelukkig weer gauw bij. Na afloop van de school ben ik weer bij vader aan boord gekomen. Wij voeren veel voor de bloembollenvelden, totdat mijn moeder plotseling overleed (bijna 49 jaar)(zie het 1e verhaal)
(Opmerking Riekel: ze was ongeveer 20 jaar getrouwd en is in die tijd van 9 kinderen bevallen, waarvan 3 zijn overleden tussen 3 dagen, 1 maand en 5 maanden)
Mijn jongste broertje Cornelis Otto overleed op 5 jarige leeftijd. Hij kon niet goed sterven, omdat ik steeds bij hem was. De dokter stuurde mij naar het ziekenhuis voor een ijszak en toen ik terugkwam was hij overleden. Daarna moesten wij en oma naar het ziekenhuis. Alleen mijn vader is vrij gebleven van de buiktyfus.

We zijn toen in Delft gebleven en moesten eerst weer aansterken. Ik was toen ongeveer 17 jaar en ben bij mijn oom Evert [??] gaan varen , die een tweemast klipper had, genaamd Confiance. Oom Evert had een dochtertje, waar ik wel eens op moest passen als oom Evert en zijn vrouw uit waren. Nadat zijn vrouw was overleden, ging hij teveel drinken en van het werk kwam niet veel meer tercht.
Ik ben ongeveer 1 ½ jaar aan boord geweest en had het er goed. Het schip is verkocht en hij is in ‘s Gravenmoer gaan wonen en heeft een tijd gewerkt in Dongen bij een leer extract fabriek [?] tot hij kennis kreeg aan een vrouw daar.
Schijnbaar was er nog wat geld, want ze hebben daar een zandstenen huis laten bouwen met een kleine winkel voor kruidenierswaren. Toen ik later getrouwd was hebben wij daar nog gelogeerd. Onze dochter Riek was nog klein. Hierna heb ik mij verhuurd bij schipper J.Klos. Hij was nog niet zo lang getrouwd met Hendrika Jut en ze hadden een dochtertje, waar ik ook op paste als ze uitgingen.. Deze mensen waren ook goed voor mij. Het was een snelvarend scheepje, dat op de Zuiderzee zeilde en de meesten voorbij ging. Hier was ik ongeveer een jaar en voor de kerstdagen nam je je gespaarde geld op.
Er bestonden toen in Amsterdam en Rotterdam cafe’s waar schippers elkaar ontmoetten en je jezelf kon verhuren. Zodoende kwam ik op een tjalk terecht met een grote roef (De Vertrouwen). Roelof van Urk was vrijgezel en hij had die tjalk pas gekocht van Groningers, die het met schoonmaken niet zo nauw hadden genomen. Alles was vuil. We werden opgevreten door de vlooien.

Weken hebben we ontsmettingsmiddelen gebruikt, maar het is ons gelukt om de zaak weer schoon te krijgen. Roelof was zeeman geweest en keek niet op een stormpje of een golfje water. Bij Roelof van Urk heb ik het jaar volgemaakt. Toen kwam ik bij schipper Rooker terecht, die het schip Maria nog maar een paar jaar had. Ze hadden een cafe in Broekerhaven en hij was visser. Hij viste met een Staverse jol en ik weet niet of ze nog bestaan; het waren dikke dingen, maar goed zeewaardig.

Bovenstaande uitgewerkt door Riekel Slierendregt, geb.16-11-1927